U bent nu hier:

Inhalatietherapie bij COPD

Publicatie Nr. 12 - 01 december 2008
Jaargang 42
Rubriek Hoofdartikel
Auteur dr R.M.M. Geijer, dr J.W.K. van den Berg
Pagina's 111 - 119

onder medeverantwoordelijkheid van de redactiecomissie

De medicamenteuze behandeling van COPD bestaat vooral uit inhalatietherapie met luchtwegverwijders en/of inhalatiecorticosteroïden. De behandeling van symptomen en het voorkomen van exacerbaties zijn belangrijke behandeldoelen. Er bestaat geen consensus over de klinische relevaujntie van de met geneesmiddelen bereikte verbeteringen. Inhalatietherapie leidt niet tot een afname van de versnelde longfunctieachteruitgang (Gebu 2008; 42: 111-119).

 

Inleiding

Terug naar boven

In 2004 werd 'Chronic Obstructive Pulmonary Disease' (COPD) door de 'American Thoracic Society' en de 'European Respiratory Society' aangeduid als 'een te voorkomen en te behandelen aandoening, gekenmerkt door een uitademingstoornis welke meestal niet volledig reversibel is. Hoewel het primair een longaandoening betreft, heeft COPD belangrijke systemische effecten'. Deze definitie verschilt van oudere definities op twee belangrijke onderdelen. Er spreekt optimisme uit (behandelbare aandoening) en de erkenning dat COPD niet alleen als een longaandoening moet worden beschouwd. Van stoppen met roken, zuurstof bij hypoxemie, longvolume-reductiechirurgie bij geselecteerde patiënten met emfyseem en niet-invasieve beademing bij ernstige exacerbaties zijn gunstige effecten op de mortaliteit aangetoond. Daarvan heeft stoppen met roken als enige ook een positieve invloed op de versnelde achteruitgang van de longfunctie die kenmerkend is voor COPD. Kwaliteit van leven, kortademigheid, inspanningsvermogen, exacerbaties en ziekenhuisopnamen worden in gunstige zin beïnvloed door revalidatie of longtransplantatie. Vrijwel al het onderzoek is verricht bij patiënten die roken of hebben gerookt en de conclusies hebben dan ook alleen betrekking op deze groep patiënten. Astma met blijvende longfunctieachteruitgang, dat ook tot COPD wordt gerekend, valt buiten de hierboven gegeven definitie. Er zijn overigens geen bewijzen dat het eerder beginnen met medicamenteuze behandeling tot betere resultaten leidt.
In dit artikel wordt ingegaan op de effecten van farmacologische (onderhouds)inhalatietherapie bij COPD. Waar mogelijk worden alleen onderzoeken besproken met een duur langer dan drie maanden. Andere Nederlandstalige overzichtsartikelen op het gebied van de behandeling van COPD zijn de CBO Richtlijn 'Medicamenteuze therapie bij COPD'2 en de NHG-Standaard 'COPD'3 (Gebu 2008; 42: 71-72).
In dit artikel wordt eerst aandacht besteed aan de pathofysiologie, het klinische beeld, behandeldoelen, longfunctieonderzoek, meetinstrumenten en klinische relevantie. Daarna wordt per geneesmiddelengroep de werkzaamheid op de belangrijkste uitkomstmaten aangegeven, alsmede bijwerkingen, contra-indicaties en interacties. Ten slotte volgt een plaatsbepaling.

 

Pathofysiologie, klinisch beeld, longfunctieonderzoek, meetinstrumenten en klinische relevantie

Terug naar boven

Pathofysiologie.  Bij COPD is sprake van een chronische, persisterende expiratoire luchtwegobstructie die weinig reversibel is maar wel per patiënt kan variëren in intensiteit. De longfunctie verslechtert progressief, hetgeen af te lezen is aan een geleidelijke afname van het geforceerde expiratoire volume in één seconde (FEV1, zie pag. 112). Aan deze aandoening lijden patiënten met tekenen van een chronische bronchitis, bronchiolitis en/of emfyseem. Er is sprake van een toegenomen slijmproductie, een cellulair ontstekingsinfiltraat en zwelling van het slijmvlies. Het longparenchym raakt irreversibel beschadigd en er treedt elasticiteitsverlies op. Roken is verreweg de belangrijkste risicofactor voor het ontstaan van COPD. 
Klinisch beeld. Patiënten met COPD hebben last van hoesten en opgeven van sputum en kortademigheid ofwel dyspnoe, aanvankelijk bij inspanning, later ook in rust. Deze klachten hangen samen met de aanwezige chronische bronchitis en de parenchymateuze longbeschadiging. Patiënten met COPD hebben last van recidiverende exacerbaties, onder meer door virale en bacteriële luchtweginfecties. Deze geven een sterke toename van de klachten. Op de langere termijn kan de longfunctie verslechteren met een daaraan gekoppelde vermindering van het inspanningsvermogen. De achteruitgang van de longfunctie kan uiteindelijk leiden tot hypoxie en eventueel hypercapnie (verhoogde koolzuurconcentratie in het bloed) als gevolg van respiratoire insufficiëntie. Bij COPD wordt vaak vermagering, vooral door spierweefselverlies, gezien. Het spierweefselverlies geeft een verdere verslechtering van het inspanningsvermogen en van de kwaliteit van leven.
Behandeldoelen. Het doel van de behandeling van COPD is het verminderen van de klachten, het optimaliseren van de kwaliteit van leven, het verbeteren van het inspanningsvermogen, het voorkomen van exacerbaties en het verminderen van de versnelde longfunctieachteruitgang. Belangrijke parameters voor het effect van de behandeling zijn dan ook de ernst van de klachten, de kwaliteit van leven, het inspanningsvermogen, het aantal exacerbaties en de mate van bronchusobstructie. Bij alle ernststadia van COPD zijn de verschillende parameters van belang, maar bij ernstiger vormen van COPD wordt de beleving van de aandoening vooral bepaald door de frequentie en de ernst van exacerbaties. 
Longfunctieonderzoek. Met behulp van longfunctieonderzoek kan een indruk worden verkregen over de functionele toestand van de longen en longvolumina. Een belangrijke maat is de FEV1: de maximale hoeveelheid lucht die na een maximale inademing in één seconde kan worden uitgeademd. De FVC is de geforceerde (expiratoire) vitale capaciteit: de maximale hoeveelheid lucht die tijdens een geforceerde expiratie kan worden uitgeademd. De referentiewaarden van de FEV1 en FVC zijn afhankelijk van het geslacht, de leeftijd, de lengte en de herkomst van de patiënt. Tabel 1 geeft als voorbeeld de referentiewaarden van de FEV1 en FVC van Europese mannen met een lengte van 180 cm en vrouwen van 170 cm, beide van 50 jaar.
De indeling naar ernst vindt bij COPD plaats op basis van (het percentage van de voorspelde waarde van) de FEV1 en staat bekend als de 'Global Initiative for Chronic Obstructive Lung Disease'-(GOLD)-indeling: stadium I = licht (>80% van de voorspelde waarde), stadium II = matig-ernstig (50-80%), stadium III = ernstig (30-50%) en stadium IV = zeer ernstig (<30%).1 3 Het merendeel van de patiënten heeft een lichte tot matig-ernstige vorm van COPD.


Tabel 1. Referentiewaarden van enkele belangrijke longfunctieparameters* (voor mannen met een lengte van 180 cm en vrouwen van 170 cm, beide van 50 jaar).

Mannen     Vrouwen    
FEV1 FVC FEV1/FVC FEV1 FVC FEV1/FVC
3,8 4,7 0,8 2,8 3,3 0,8

* FEV1: geforceerde expiratoire volume in één seconde (l) FVC: geforceerde (expiratoire) vitale capaciteit.

Meetinstrumenten. Longfunctieonderzoek is van belang voor de diagnostiek van COPD en daaraan gekoppeld de prognose. Vanwege dit laatste argument is de GOLD-indeling gebaseerd op de FEV1 als percentage van de voorspelde waarde. 
De individuele patiënt klaagt als uitdrukking van een verminderde longfunctie over kortademigheid, een verminderd inspanningsvermogen of een afgenomen kwaliteit van leven. Deze typische klinische parameters kunnen worden gekwantificeerd met behulp van specifiek gevalideerde scoringssystemen met de nadruk op bijvoorbeeld dyspnoe (uitgedrukt in bv. een 'Medical Research Counsil'-score), het aantal meters gelopen bij een zes-minutenwandeltest (6MWT), of met specifieke kwaliteit van levenvragenlijsten, zoals de 'Saint George's Respiratory Questionnaire' (SGRQ) of de 'Chronic Respiratory Questionnaire' (CRQ). Longfunctieparameters vertonen een matig verband met deze belangrijke klinische uitkomstmaten. 
Voor het meten van de invloed op de samenleving zijn andere indicatoren van COPD van belang, zoals zorgconsumptie in de vorm ziekenhuisopnamen, verpleegdagen, bezoeken aan huisarts of EHBO en de hoeveelheid en de kosten van de voorgeschreven geneesmiddelen.
Klinische relevantie. Wat zijn de minimaal klinische relevante verschillen van de meetinstrumenten? Hiervoor bestaan geen harde wetenschappelijke gegevens maar slechts subjectieve oordelen en dat geldt ook voor de in dit artikel gehanteerde waarden. Voor de FEV1 wordt een toename van ten minste 200 ml aangehouden. Het klinisch relevante verschil bij de MRC-score is niet duidelijk,5 maar op een vijfpuntsschaal lijkt een toename van één punt klinisch relevant. Bij de 6MWT is het minimale belangrijke verschil 54 meter. Het minimale klinische significante verschil voor de SGRQ (schaal 0-100 punten) bedraagt vier punten, voor de CRQ (schaal van 7 punten) is dit een halve punt.7 
Er bestaat geen consensus over de grenswaarde van de afname van de exacerbatiefrequentie. In dit artikel wordt een afname van 5-10% als maat gehanteerd, dat wil zeggen dat men 10-20 patiënten gedurende een bepaalde periode moet behandelen om bij één patiënt een exacerbatie te voorkomen. 

Begrippenlijst

Relatief risico (RR): het risico op een bepaalde gebeurtenis in de behandelde groep (Y) Ry gedeeld door het risico in de controlegroep (X) Rx.
Formule: RR = Ry/Rx.


Odds Ratio (OR): associatiemaat die het relatieve risico benadert.


Absoluut Risico (AR): het aantal keren dat een bepaalde gebeurtenis optreedt bij een bepaalde groep personen gedurende een bepaalde periode.


Absolute Risico Reductie (ARR): het risico op een bepaalde gebeurtenis in de controlegroep (X) Rx minus het risico in de behandelde groep (Y) Ry.
Formule: ARR=Rx-Ry.


'Number Needed to Treat' (NNT): het aantal patiënten dat men gedurende een bepaalde periode moet behandelen om één bepaalde gebeurtenis te voorkomen, in vergelijking met de controlebehandeling. In het geval van bijwerkingen wordt gesproken van 'Number Needed to Harm'.
Formule: NNT = 1/(Rx - Ry) of 1/ARR.


'Standardized Mean Difference' (SMD): gestandaardiseerd verschil van gemiddelden (=effect size). Het verschil van gemiddelden gedeeld door de (gezamenlijke) standaarddeviatie in beide onderzoeksgroepen. Deze maat wordt toegepast als in onderzoeken verschillende meetinstrumenten worden gebruikt en er geen gezamenlijke uitkomst kan worden bepaald.


'Weighted Mean Difference' (WMD): als in diverse onderzoeken vergelijkbare meetinstrumenten worden gebruikt, wordt het verschil van gemiddelden gewogen ofwel samengevat.

  

 

Kortwerkende ß2-sympathicomimetica

Terug naar boven

Algemeen. Kortwerkende ß2-sympathicomimetica (salbutamolterbutaline) zijn geregistreerd voor de behandeling van COPD. De werking treedt in binnen vijf minuten na inhalatie en is maximaal na 30 tot 90 minuten. De werkingsduur is vier tot zes uur.
Werkzaamheid. Naar de werkzaamheid van kortwerkende ß2-sympathicomimetica bij COPD is weinig onderzoek gedaan. In een systematisch literatuuroverzicht dat verscheen in de Cochrane-bibliotheek zijn 13 gerandomiseerde placebogecontroleerde onderzoeken opgenomen met een minimale onderzoeksduur van zeven dagen en een maximale van acht weken met in totaal 296 patiënten (vnl. mannen, FEV1 veelal <70%).8 De reversibiliteit van de luchtwegobstructie gemeten met de FEV1 varieerde over een groot gebied van >10% tot <35%. Over de werkzaamheid van kortwerkende ß2-sympathicomimetica bij COPD werd geconcludeerd dat ze een significant effect hadden op het verbeteren van dyspnoe (SMD 1,33 [95%BI=1,0-1,65]). Ook was er sprake van een significante toename van FEV1 (WMD 0,14 l [0,04-0,25] en FVC (WMD 0,3[0,2-0,6] klinisch niet relevant). Het risico op exacerbaties werd statistisch significant verminderd (RR 0,49 [0,33-0,73]) en als klinisch relevant beoordeeld. Er is geen werkzaamheid aangetoond op het verbeteren van het inspanningsvermogen. Er waren geen bruikbare gegevens over de invloed van de middelen op de kwaliteit van leven en sterfte.
Bijwerkingen. Bij gebruik van een ß2-sympathicomimeticum kunnen hinderlijke bijwerkingen optreden, zoals tremor van handen en vingers, hoofdpijn, perifere vaatverwijding, stijging van de hartfrequentie en hypokaliëmie. Dit kan van belang zijn voor patiënten met een ernstige hartaandoening. In het systematische literatuuroverzicht werden geen ernstige bijwerkingen gemeld.8 
In een meta-analyse uit 2004 werd de cardiovasculaire veiligheid van ß2-sympathicomimetica onderzocht bij patiënten met astma en COPD.9 Er werden 33 onderzoeken met in totaal 6.623 patiënten ingesloten. Een enkele dosis van een ß2-sympathicomimeticum verhoogt de hartfrequentie met negen slagen per minuut en verlaagt de serumkaliumconcentratie met 0,36 mmol/l. In vergelijking met placebo verhoogt behandeling met een ß2-sympathicomimeticum de kans op een cardiovasculaire bijwerking (RR 2,54 [1,59-4,05]). Van de afzonderlijke componenten was alleen het risico op sinustachycardie significant verhoogd (RR 3,06 [1,70-5,50]).9 Uit een meta-analyse uit 2006 van 22 onderzoeken met 15.276 patiënten met COPD komt naar voren dat het gebruik van ß2-sympathicomimetica in vergelijking met placebo gepaard gaat met een verhoogd risico op overlijden door respiratoire oorzaken (RR 0,27 [0,09-0,86]).10 
Contra-indicaties. Patiënten met hyperthyreoïdie kunnen extra gevoelig zijn voor ß-sympathicomimetica. In de productinformatie wordt aangegeven dat voorzichtigheid moet worden betracht bij patiënten met ernstige hypertensie, verminderde glucosetolerantie en manifeste diabetes mellitus, maar in de praktijk is dit niet relevant.11 
Interacties. De effecten van ß2-sympathicomimetica worden geantagoneerd door ß-sympathicolytica. Gelijktijdig gebruik, zoals bij COPD-patiënten die tevens coronairlijden hebben, is niet wenselijk.12 De interactie is van klinisch belang bij astma en COPD en geldt zowel voor de kortwerkende als de langwerkende middelen. Bij voorkeur wordt de niet-selectieve ß-blokker vervangen.11 

 

Kortwerkende anticholinergica

Terug naar boven

Algemeen. Kortwerkende anticholinergica zijn geregistreerd voor de behandeling van 'bronchopulmonale aandoeningen met een spastische component'. In Nederland is alleen ipratropium geregistreerd. De werking treedt in binnen 15 minuten en is maximaal na een tot twee uur. De werkingsduur is vier tot zes uur. De combinatiepreparaten ipratropium/fenoterol en ipratropium/salbutamol blijven buiten beschouwing, omdat hiervoor in de therapie geen plaats meer is.13 
Werkzaamheid. In een systematisch literatuuroverzicht werden 17 gerandomiseerde placebogecontroleerde onderzoeken opgenomen met in totaal 657 patiënten (leeftijd 58-72 jaar, FEV1 0,7-1,7 l) waarin de werkzaamheid van ipratropium is onderzocht.14 Het merendeel van de onderzoeken was klein (16 van de 17 onderzoeken had <50 patiënten). De mate van reversibiliteit en de ernst van de aandoening worden niet vermeld in het artikel. De resultaten van 10 van de 17 onderzoeken toonden significante effecten op het inspanningsvermogen, de maximale zuurstofopname en de loopafstand. De auteurs verrichtten geen kwantitatieve meta-analyse waardoor niet duidelijk is of deze resultaten ook klinisch relevant zijn. Ook werd een significante toename van de FEV1 van 128-300 ml gevonden in 16 van de onderzoeken, waarvan deze in zeven onderzoeken mogelijk als klinisch relevant geldt.14 
In 2007 verscheen een systematisch literatuuroverzicht met als uitkomstmaat het aantal personen met tenminste één exacerbatie (4 onderzoeken met 1.069 patiënten) en sterfte (4 onderzoeken met 4.866 patiënten).15 Er werd geen effect op het verminderen van het aantal exacerbaties aangetoond. Ook was er geen effect op sterfte.15
Voorts zijn nog drie onderzoeken met in totaal 1.596 patiënten (gem. 64 jaar) gepubliceerd met als uitkomstmaat symptomen, FEV1 en kwaliteit van leven bij een ipratropium- en placebogroep en daarnaast ook een derde of vierde groep met een langwerkend ß2-sympathicomimeticum.16-18 Hierin werd eveneens een significante toename van de FEV1, die veelal =200 ml was, gevonden. Er waren tegenstrijdige uitkomsten wat betreft de invloed op kwaliteit van leven en de verbetering van dyspnoe. 
Bijwerkingen. Bij 1-10% van de gebruikers treedt droge mond, irritatie van mond en keelholte, heesheid, hoest, misselijkheid en hoofdpijn op.11 
Contra-indicaties. Overgevoeligheid voor atropine of atropinederivaten geldt als contra-indicatie.
Interacties. Er zijn geen klinisch relevante interacties bekend van ipratropium.11 

 

Langwerkende ß2-sympathicomimetica

Terug naar boven

Algemeen. Langwerkende ß2-sympathicomimetica (salmeterol en formoterol) zijn geregistreerd voor de onderhoudsbehandeling van COPD. De werking van salmeterol treedt in binnen 10 tot 20 minuten en van formoterol binnen één tot drie minuten. De werkingsduur van beide middelen is ongeveer 12 uur.
Werkzaamheid. In een systematisch literatuuroverzicht dat verscheen in de Cochrane-bibliotheek werden 23 gerandomiseerde placebogecontroleerde onderzoeken met in totaal 6.061 patiënten (leeftijd 58-71,5 jaar en FEV1 0,85-1,75 l, veelal matig-ernstige tot ernstige COPD) ingesloten.19 Hierin werd de werkzaamheid van langwerkende ß2-sympathicomimetica (salmeterol, formoterol en het niet in Nederland geregistreerde bambuterol) onderzocht.19 De resultaten toonden een significante toename van de FEV1 (51 ml [32-70]), die echter klinisch niet relevant is. Er waren geen eenduidige effecten op de symptoomscores en het inspanningsvermogen. De invloed op de kwaliteit van leven is klinisch niet relevant.19 Daarnaast had het hierboven al aangehaalde literatuuroverzicht (FEV1 veelal <60%) als uitkomstmaat het aantal personen met tenminste één exacerbatie.11 De resultaten toonden een significante afname van het aantal personen met tenminste één exacerbatie met 13% (RR 0,87 [0,82-0,93]), dat als klinisch relevant wordt beschouwd. Een effect op de sterfte werd niet aangetoond.11  Vastgesteld kan worden dat mogelijke voordelen van langwerkende ß2-sympathicomimetica in vergelijking met de kortwerkende, zoals gebruiksgemak en betere therapietrouw, zich niet vertalen in betere uitkomsten.
Bijwerkingen. De bijwerkingen van langwerkende ß2-sympathicomimetica zijn vergelijkbaar met die van kortwerkende. 
Contra-indicaties en interacties. Zie hiervoor bij kortwerkende ß2-sympathicomimetica.

 

Langwerkende anticholinergica

Terug naar boven

Algemeen. Tiotropium is het enige langwerkende anticholinergicum dat in Nederland is geregistreerd voor de behandeling van COPD. De werking treedt in binnen 30 minuten en houdt langer dan 24 uur aan.
Werkzaamheid. In 2006 verscheen een meta-analyse van negen gerandomiseerde onderzoeken waarin de werkzaamheid van tiotropium werd vergeleken met ipratropium, langwerkende ß2-sympathicomimetica en placebo bij patiënten met COPD.20 In totaal werden 8.002 patiënten (gem. leeftijd 59-68 jaar, 56-99% mannen, gem. FEV1 0,9-1,4 l, GOLD-stadium II-IV) in deze meta-analyse betrokken. De resultaten toonden een significante afname van de dyspnoescore bij gebruik van tiotropium in vergelijking met ipratropium (OR 2,01 [1,26-3,20]).
De gemiddelde toename van de FEV1 ten opzichte van de uitgangswaarde was bij tiotropium significant groter dan bij ipratropium (WMD 150 ml [106-194]), maar dit verschil is klinisch niet relevant. Dezelfde resultaten werden gevonden voor FVC. Het gebruik van tiotropium ging gepaard met een verminderde kans op een exacerbatie in vergelijking met ipratropium (OR 0,64 [0,4-0,92]), een klinisch relevant effect. De kans op een ziekenhuisopname ten gevolge van een exacerbatie was vergelijkbaar met ipratropium. Er moeten 13 mensen met tiotropium worden behandeld, in vergelijking met placebo of ipratropium, om één exacerbatie te voorkomen (NNT 13).
Het gebruik van tiotropium liet in vergelijking met ipratropium een significante, maar klinisch niet-relevante, verandering zien in de kwaliteit van leven (SGRQ-score: WMD 1,99 [1,35-2,94]). Er was geen invloed op sterfte.20 Na het verschijnen van deze meta-analyse zijn in een onderzoek in de huisartsenpraktijk bij 395 patiënten met matig-ernstige COPD overeenkomstige resultaten gevonden op het verminderen van exacerbaties en de FEV1.25 Voorts is er het al besproken literatuuroverzicht dat als uitkomstmaat het aantal personen met tenminste één exacerbatie had.15 Daarin werd een statistisch significante afname van het aantal personen met tenminste één exacerbatie gevonden van 16% (RR 0,84 [0,78-0,90]), een klinisch relevant effect. Ten slotte is in vier onderzoeken met 641 patiënten en een duur van 7-12 weken vastgesteld dat tiotropium het inspanningsvermogen significant deed toenemen met zo'n 1,5-5,4 minuten.21-24 
Er zijn nog drie gerandomiseerde onderzoeken met tiotropium gepubliceerd die niet in de meta-analysen zijn opgenomen.26-28 In het eerste onderzoek met 71 patiënten (gem. leeftijd 65 jaar, 56 mannen, FEV1 37% van de voorspelde waarde) werd in vergelijking met de uitgangswaarde, met tiotropium een significant grotere toename van de FEV1 bereikt dan met formoterol (127 vs. 86 ml), welke overigens niet klinisch relevant was.27
Met de combinatie van beide middelen werd een toename van de FEV1 bereikt van 234 ml, die wel als klinisch relevant kan worden bestempeld.27 In het tweede onderzoek bij 449 patiënten (gem. 68 jaar, 56% man) met matig-ernstige tot ernstige COPD bleek dat het primaire eindpunt, namelijk het percentage patiënten dat een exacerbatie kreeg waarvoor behandeling noodzakelijk was, optrad bij respectievelijk 62,8% (tiotropium met placebo), 64,8% (tiotropium met salmeterol) en 60% (tiotropium met de combinatie salmeterol/fluticason) van de patiënten, hetgeen niet significant verschilde.26 De resultaten van het derde en grootste onderzoek bij 5.993 patiënten (gem. leeftijd 65, ca. 75% man, FEV1 <70%) toonden dat de gemiddelde verbeteringen van de FEV1 bij patiënten die tiotropium gebruikten gedurende de hele onderzoeksduur van vier jaar gehandhaafd bleven en significant groter waren dan bij placebo (spreiding 47-65 ml, na luchtwegverwijding), maar het verschil was niet klinisch relevant.28 Verschillen in snelheid van afname van de FEV1 waren niet statistisch significant.
De kwaliteit van leven, gemeten op de SGRQ, was statistisch significant hoger bij patiënten die tiotropium gebruikten (2,3-3,3 punten), maar was niet klinisch relevant. De mediane duur tot het optreden van een eerste exacerbatie was 16,7 maanden met tiotropium en 12,5 met placebo, een significant verschil. Er waren geen significante verschillen in mortaliteit tussen beide groepen op basis van een 'intention-to-treat'-analyse, maar dit onderzoek was niet opgezet om het effect op mortaliteit te onderzoeken.28 
Bijwerkingen. In het hierboven besproken onderzoek rapporteerden patiënten die tiotropium gebruikten vaker droogheid van de mond en urineweginfecties dan patiënten in de placebogroep.20 Ernstige bijwerkingen kwamen, in het zeer recent gepubliceerde en door de fabrikant gesponsorde onderzoek bij 5.993 patiënten (gem. FEV1 48% van voorspelde waarde, gem. vervolgduur 4 jaar), significant minder vaak voor bij patiënten die tiotropium gebruikten.28 Dat betrof vooral cardiale bijwerkingen, zoals hartfalen en myocardinfarct, en respiratoire, zoals dyspnoe en respiratoire insufficiëntie. De in dat artikel als bijwerkingen benoemde gebeurtenissen hadden echter beter als eindpunten in de analyse kunnen worden opgenomen.28 
In een meta-analyse uit 2006 die is besproken in de paragraaf over de ß2-sympathicomimetica (zie pag. 113) en die 22 onderzoeken met 15.276 COPD-patiënten omvatte, was gevonden dat anticholinergica het risico op overlijden door respiratoire oorzaken verlagen (RR 0,27 [0,09-0,81]).10 Voorts is er nog een meta-analyse uit 2006 die 19 onderzoeken omvat, maar deze blijft buiten beschouwing omdat geen van de onderzoeken is gepubliceerd.29  

In de literatuur is een controverse over de invloed van ß2-sympathicomimetica en anticholinergica op mortaliteit.

In een meta-analyse uit 2007 werden de uitkomsten op langere termijn (>3 mnd.) onderzocht van anticholinergica en ß2-sympathicomimetica (beide zowel kort- als langwerkend).30 In totaal werden 18 onderzoeken opgenomen met in totaal ruim 15.000 patiënten. De resultaten toonden dat bij anticholinergica de mortaliteit door respiratoire oorzaken significant was afgenomen (RR 0,3 [0,07-0,9]), evenals ziekenhuisopnamen (RR 0,7 [0,6-0,9]). Er was geen effect op de totale mortaliteit. Daarentegen hadden ß2-sympathicomimetica geen significant effect op ziekenhuisopnamen, maar wel een significant effect op overlijden door respiratoire oorzaken (RR 2,4 [1,03-5,6]). In direct vergelijkende onderzoeken was het risico op overlijden hoger (RR 5,0 [1,1-22,5]) bij gebruik van ß2-sympathicomimetica in vergelijking met anticholinergica.30 
In een recent gepubliceerd systematisch literatuuroverzicht en meta-analyse zijn de cardiovasculaire risico’s van inhalatie-anticholinergica (ipratropium en tiotropium) onderzocht.31 In totaal werden 17 onderzoeken, waaronder ook ongepubliceerde, met een minimale duur van 30 dagen en met in totaal 14.783 patiënten ingesloten. Het primaire samengestelde eindpunt omvatte myocardinfarct, CVA en overlijden door cardiovasculaire oorzaken. Het risico op het primaire eindpunt was significant hoger bij gebruik van anticholinergica dan bij de controlebehandeling (RR 1,58 [1,21-2,06]).
Van de afzonderlijke componenten van het primaire eindpunt was het risico verhoogd bij myocardinfarct (RR 1,53 [1,05-2,23]) en bij cardiovasculair overlijden (RR 1,80 [1,17-2,77), terwijl het risico op CVA niet verhoogd was. In deze meta-analyse zijn de resultaten van het eerder genoemde onderzoek met 5.993 patiënten niet meegenomen waarin juist een verlaagd risico op cardiovasculaire aandoeningen werd gevonden.28 Als de analyse werd beperkt tot vijf onderzoeken die minimaal zes maanden duurden, werden overeenkomstige resultaten gevonden. Dat gold niet voor kortdurende onderzoeken, want daarin werden geen significante effecten gevonden. De totale mortaliteit, ongeacht de oorzaak, was overigens niet-significant verhoogd.31 
In een, eveneens recent gepubliceerd, patiëntcontrole-onderzoek werd bij oud-militairen in de VS met een recente klinische diagnose COPD de associatie onderzocht tussen luchtwegmedicatie en risico van overlijden.32 Daartoe werden verschillende gegevensbestanden gebruikt, zoals die van apotheken, verzekeringsmaatschappijen en mortaliteitsregisters. In het totale bestand waren 32.130 overleden patiënten, waarbij van 11.897 patiënten exacte gegevens bekend waren. Van deze laatste waren 2.405 overleden door respiratoire oorzaken en 3.159 door cardiovasculaire oorzaken. De uitkomstmaten waren overlijden ongeacht de oorzaak en overlijden door respiratoire en cardiovasculaire oorzaken. Het risico op overlijden van de verschillende geneesmiddelengroepen in vergelijking met de controlegroep (die veelal geen medicatie gebruikte) was als volgt: inhalatiecorticosteroïden OR 0,80 (0,78-0,83), ipratropium OR 1,11 (1,08-1,15) en langwerkende ß2-sympathicomimetica OR 0,92 (0,88-0,96).
Ipratropium was geassocieerd met een verhoogd risico van overlijden door cardiovasculaire oorzaken (OR 1,34 [1,22-1,47]), terwijl inhalatiecorticosteroïden waren geassocieerd met een verlaagd risico (OR 0,80 [0,72-0,88]). Tiotropium is niet in deze analyse opgenomen.32 
Boehringer Ingelheim had de Amerikaanse registratieautoriteit Food and Drug Administration (FDA) geïnformeerd over een mogelijk verhoogd risico van CVA bij gebruik van tiotropium, zoals dit was gebleken uit een, overigens niet-gepubliceerde, meta-analyse van 29 onderzoeken. De FDA heeft deze informatie in maart 2008 naar buiten gebracht.33 Op grond van de beide laatste hierboven besproken onderzoeken zal de FDA de relatie tussen sterfte en gebruik van tiotropium en/of andere inhalatie-anticholinergica opnieuw beoordelen. Verwacht wordt dat over een aantal maanden deze analyse zal zijn afgerond.33 Opgemerkt moet worden dat in geen van de besproken onderzoeken mortaliteit een primair of secundair eindpunt was.
Contra-indicaties. Zie hiervoor bij kortwerkende anticholinergica. De fabrikant raadt aan voorzichtigheid te betrachten bij een matige tot ernstige nierfunctiestoornis (creatinineklaring =50 ml/min), aangezien de plasmaconcentratie van tiotropium dan kan toenemen.11 Dit is echter alleen onderzocht na intraveneuze toediening.
Interacties. Er zijn geen klinisch relevante interacties bekend van tiotropium.11

Inhalatietherapie
Bij inhalatietherapie kan men kiezen tussen een poederinhalator (DPI) en een dosisaerosol (pMDI). Bij correct gebruik zijn de diverse inhalatoren (vernevelaars, DPI en pMDI met en zonder voorzetkamer) even werkzaam.34
Bij dosisaerosolen zijn de dosisafgifte en de gemiddelde deeltjesgrootte onafhankelijk van de inspiratoire luchtstroomsterkte en wordt de longdepositie voornamelijk bepaald door de hand-longcoördinatie. Een eventueel coördinatieprobleem kan worden ondervangen door gebruik van een inhalatiekamer of een inademinggestuurde (breath-actuated) dosisaerosol.
Bij poederinhalatoren zijn de dosisafgifte en de longdepositie vooral afhankelijk van de inspiratoire stroomsterkte: bij een lagere inspiratoire stroomsterkte neemt de dosisafgifte uit het apparaat af en neemt de gemiddelde deeltjesgrootte toe, waardoor de longdepositie afneemt.35
Bij sommige poederinhalatoren (vanwege de fysische eigenschappen van het apparaat) of dosisaerosolen (door een kleinere deeltjesgrootte) is de longdepositie groter. Hierdoor zijn er voor hetzelfde geneesmiddel verschillende adviesdoseringen, afhankelijk van de soort inhalator of dosisaerosol.
Bij de keuze voor een inhalatievorm houdt men rekening met bovenstaande kenmerken en met de inspiratoire luchtstroomsterkte en coördinatie van de patiënt.
Toediening via een dosisaerosol en poederinhalator is minder bewerkelijk dan toediening via een vernevelaar, terwijl de werkzaamheid vergelijkbaar is. Het verdient aanbeveling het inhaleren voor te doen en te observeren of de patiënt het zelf adequaat kan uitvoeren. De instructie kan in de huisartsenpraktijk of in de apotheek worden gegeven. De instructie moet ten minste eenmaal per jaar worden herhaald. Afgesproken wordt dat de patiënt de inhalator(en) meeneemt naar het spreekuur of naar de apotheek.
Kies bij adequate coördinatie en voldoende inspiratoire luchtstroomsterkte een droge poederinhalator of een dosisaerosol.
Kies bij inadequate coördinatie een droge poederinhalator, een dosisaerosol met inhalatiekamer of een inademinggestuurde dosisaerosol.
Kies bij onvoldoende inspiratoire luchtstroomsterkte een dosisaerosol met inhalatiekamer of een inademinggestuurde dosisaerosol.
Streef naar uniformiteit in de toedieningsvorm bij gebruik van verschillende middelen.


 

Inhalatiecorticosteroïden

Terug naar boven

Algemeen. Behandeling met inhalatiecorticosteroïden (ICS) wordt overwogen bij patiënten met frequente exacerbaties (twee of meer per jaar), onafhankelijk van de waarde van de FEV1 of de ernst van de aandoening. Alleen fluticason is geregistreerd voor onderhoudsbehandeling bij (matig) ernstige COPD. Beclometasonbudesonide en ciclesonide zijn niet geregistreerd voor onderhoudsbehandeling van COPD in het algemeen. In de praktijk worden vooral beclometason en budesonide wel 'off-label' bij deze indicatie voorgeschreven. Met ciclesonide is bij COPD nog weinig ervaring.
Werkzaamheid. In vijf systematische literatuuroverzichten en meta-analysen wordt de werkzaamheid van inhalatiecorticosteroïden op verschillende uitgangsparameters, zoals achteruitgang in FEV1, kwaliteit van leven, exacerbaties en sterfte beschreven.15 36-39 In één overzicht met in totaal 5.618 patiënten zijn 12 onderzoeken opgenomen naar de werkzaamheid van inhalatiecorticosteroïden en 11 naar de veiligheid ervan.36 De gegevens waren te divers om een kwantitatieve meta-analyse te kunnen verrichten naar de invloed van inhalatiecorticosteroïden op symptomen.
Vier onderzoeken lieten geen statistisch significant verschil in symptoomscore zien, twee onderzoeken lieten een gunstigere symptoomscore zien in de groep die met inhalatiecorticosteroïden werden behandeld en drie onderzoeken lieten bij onderdelen van de symptoomscores significante verbeteringen zien maar niet bij de symptoomscores als geheel. In deze meta-analyse werd voorts een significante reductie van het aantal exacerbaties (RR=0,67 [0,59-0,77]) gezien, die klinisch relevant was.36
In de groep patiënten met matig-ernstige of ernstige COPD was het NNT 12 gedurende de onderzoeksduur van 17,7 maanden. In de groep patiënten met lichte COPD, werd geen effect op het aantal exacerbaties aangetoond.36 In een al ter sprake gekomen meta-analyse werd een vermindering van 15% gezien van het aantal personen met ten minste één exacerbatie (RR 0,85 [0,75-0,96]).15 
Deze meta-analyse bevatte voorts drie onderzoeken naar de kwaliteit van leven bij patiënten met ernstige COPD en daarin werd een statistisch significant maar klinisch niet relevant verschil in kwaliteit van leven gevonden.36 Wat betreft de invloed op het inspanningsvermogen waren de resultaten van twee onderzoeken beschikbaar: één onderzoek liet een statistisch significante verbetering zien die klinisch niet-relevant is in de zes minuten looptest en één onderzoek liet geen verschil zien.36 In een andere meta-analyse met in totaal 3.976 patiënten die gedurende meer dan zes maanden werden gevolgd, werd een vergelijkbare afname van het aantal exacerbaties in de inhalatiecorticosteroïdengroep gezien (RR=0,7 [0,58-0,84]) voor de totale groep patiënten met licht tot ernstige COPD.39 
In een meta-analyse met in totaal 3.571 patiënten (leeftijd 52-67 jaar, 60-100% man, FEV1 40-87%) waarin het effect van inhalatiecorticosteroïden werd onderzocht op de FEV1, werd geen verschil gevonden in de daling van de FEV1 (gem. –5,0 ml/jaar) tussen de met inhalatiecorticosteroïden behandelde patiënten en de placebogroep.37 
In een andere meta-analyse met 5.085 patiënten (gem. 59 jaar, 71% man, FEV1 ca. 58%) bleek het overlijdensrisico van patiënten die met inhalatiecorticosteroïden werden behandeld lager dan van patiënten in de placebogroep (benaderd RR 0,75 [0,57-0,99]).38 Het absolute risicoverschil van overlijden was echter gering (2,1 vs. 1,57 per 1.000 patiëntjaren ofwel 0,53 per 1.000 patiëntjaren).38 Hierbij dient te worden opgemerkt dat voor het merendeel van de ingesloten onderzoeken onvoldoende gegevens bekend waren over de uitvallers. In een recentere meta-analyse die al eerder ter sprake is gekomen, werd geen verschil in sterfte gevonden.15 
Bijwerkingen. In twee meta-analysen bleek het gebruik van inhalatiecorticosteroïden tot een toename van orofaryngeale candida-infecties, rinitis, zere keel, heesheid, bovenste luchtweginfecties en blauwe plekken te leiden.36 39 In de eerste meta-analyse werd geen bewijs gevonden voor een verhoogd risico op verlies van botdichtheid of fracturen bij gebruik van inhalatiecorticosteroïden.36 Er lijkt wel een cumulatief risico te bestaan op het ontstaan van cataract bij langdurig gebruik van inhalatiecorticosteroïden. Dit gold ook voor verhoogde oogboldruk en glaucoom.36
Bij patiënten met ernstige COPD lijkt de kans op een pneumonie verhoogd. In een meta-analyse naar de werkzaamheid van inhalatiecorticosteroïden en langwerkende ß2-sympathicomimetica in vergelijking met placebo werden 11 onderzoeken opgenomen met in totaal 6.427 patiënten.40 Hieruit bleek dat als 13 patiënten gedurende drie jaar worden behandeld er één extra pneumonie optreedt. 
Na deze meta-analyse verscheen nog een onderzoek met 6.184 patiënten die gedurende drie jaar werden gevolgd.41Onderzocht werden salmeterol, fluticason, salmeterol/fluticason en placebo. De prevalentie van pneumonie was significant hoger in de groepen die met inhalatiecorticosteroïden waren behandeld (19,6% in de combinatiegroep, 18,3% in de fluticasongroep) dan in de placebogroep (12,3%).41 De analyse werd echter niet volgens het 'intention-to-treat'-principe verricht maar volgens het per-protocol-principe.
Ofschoon er theoretisch een risico bestaat dat de hypofysebijnieras kan worden onderdrukt, wordt dit in de praktijk niet waargenomen.
Contra-indicatie. Voorzichtigheid is geboden bij longtuberculose.11 
Interacties. Er zijn geen klinisch relevante interacties bekend van inhalatiecorticosteroïden.11 

 

Combinatietherapie van langwerkende ß2-sympathicomimetica met inhalatiecorticosteroïden versus monotherapie met inhalatiecorticosteroïden

Terug naar boven

Werkzaamheid. In een systematisch literatuuroverzicht dat verscheen in de Cochrane-bibliotheek met in totaal 5.708 patiënten met vooral ernstige COPD werden zeven onderzoeken ingesloten waaronder vijf met de combinatie salmeterol/fluticason (4.791 patiënten) en twee met formoterol/budesonide (917 patiënten).42 De resultaten toonden een significante reductie van het aantal exacerbaties bij gebruik van salmeterol/fluticason in vergelijking met monotherapie met inhalatiecorticosteroïden (RR 0,91 [0,85-0,98].42 Voor de combinatie formoterol/budesonide was er geen significant effect op het verminderen van exacerbaties.
Daarnaast is een systematisch literatuuroverzicht (FEV1 veelal <60%) gepubliceerd met als uitkomstmaat het aantal personen met ten minste één exacerbatie (1.982 patiënten) en sterfte (3.524 patiënten).15 De resultaten daarvan toonden dat er met combinatietherapie in vergelijking met monotherapie van inhalatiecorticosteroïden geen statistisch significante vermindering van het aantal personen met ten minste één exacerbatie werd behaald.15 In vergelijking met placebo reduceerden langwerkende ß2-sympathicomimetica, al dan niet in combinatietherapie, wel significant het percentage exacerbaties met 13-25%, een klinisch relevant verschil. 
De werkzaamheid van combinatietherapie met inhalatiecorticosteroïden en langwerkende ß2-sympathicomimetica vergeleken met monotherapie met inhalatiecorticosteroïden met betrekking tot het effect op dyspnoe toonde bij salmeterol/fluticason in vergelijking met fluticason in een onderzoek wel een statistisch significant effect, dat overigens niet klinisch relevant is.43 In een ander onderzoek werd geen statistisch significant verschil gevonden.44 Er was geen verschil in klachtenvrije nachten of hoesten.45 Deze onderzoeken zijn opgenomen in een al besproken meta-analyse.40 Wat betreft de longfunctie was er een significant verschil in toename van de FEV1 ten gunste van salmeterol/fluticason in vergelijking met fluticason (gem. verschil 50 [20-90]) ml42 en 95 ml45, maar deze verschillen waren niet klinisch relevant. Er was ook een gunstig effect van formoterol/budesonide in vergelijking met budesonide (gem. verschil 10,2% [7,7-12,6]).40 
Het effect op de kwaliteit van leven van formoterol/budesonide in vergelijking met budesonide was statistisch significant en klinisch relevant in het voordeel van de combinatie.42 Voor salmeterol/fluticason was in vergelijking met fluticason het verschil statistisch significant maar klinisch niet relevant.42  Voor het beoordelen van het effect op het inspanningsvermogen waren geen bruikbare gegevens beschikbaar.
In twee systematische literatuuroverzichten werd een vermindering van sterfte gevonden ((OR 0,77 [0,63-0,94])41 en (RR 0,79 [0,67-0,94]))15 van de combinatietherapie in vergelijking met monotherapie met inhalatiecorticosteroïden. De absolute risicoreductie in het laatste onderzoek was 1% met een bijbehorend NNT van 100. Bij patiënten met een FEV1 =60% van de voorspelde waarde, was de mortaliteit echter niet significant verminderd en bij deze patiënten is geen verschil aangetoond. De absolute risicoreductie was in het laatste overzicht niet significant. Vanwege verschillen in de duur waarin patiënten werden gevolgd, is het niet goed mogelijk een samengevatte NNT te berekenen. In een onderzoek waarin patiënten een achtergrondrisico van 15% op overlijden hadden is de 3-jaars NNT 32 (9-123), terwijl in een ander onderzoek met een veel lager achtergrondrisico van 0,8% de 1-jaars NNT 547 (340-2100) is42
Bijwerkingen. De samengevatte resultaten van beide combinatiepreparaten versus monotherapie met inhalatiecorticosteroïden lieten geen significant verschil zien met betrekking tot pneumonieën (OR 1,13 [0,92-1,38]).42 Ook in de afzonderlijke vergelijkingen werd geen statistisch significant verschil gezien tussen salmeterol/fluticason en fluticason en evenmin tussen formoterol/budesonide en budesonide.42 Hierbij dient te worden opgemerkt dat voor het merendeel van de ingesloten onderzoeken onvoldoende gegevens bekend waren over de uitvallers. Voor het overige gelden ook hier de bijwerkingen van de langwerkende ß2-sympathicomimetica. 

Tabel 2. Effecten van inhalatiemedicatie vergeleken met placebo (tenzij anders vermeld) bij patiënten met matig-ernstige COPD.*

Interventie symptomen exacerbaties QOL inspanning longfunctie overig
Kortwerkend ß2-sympathicomimeticum8 + ? ? - + (klinisch niet relevant)  
Ipratropium +/-16-18 -18 +/-16-18 +14 + 14 (klinisch niet relevant)  
Langwerkend ß2-sympathicomimeticum19 +/- + (klinisch relevant) - - + (klinisch niet relevant) - (ziekenhuisopname)
Tiotropium20 + + (klinisch relevant) +/- + + (klinisch niet relevant) + (ziekenhuisopname)
Inhalatiecorticosteroïde +/-36 + klinisch relevant36 47 +/-36 +/-36 -47 +/- (sterfte)38 47
Inhalatiecorticosteroïde/ langwerkend ß2-sympathicomimeticum vs. monotherapie26 +/- + (vs. LWBM)
- (vs. ICS)
+/- ? +/-  

* +: effect onderzocht en aangetoond in twee of meer gerandomiseerde onderzoeken; +/-: effect onderzocht in twee of meer gerandomiseerde onderzoeken maar tegenstrijdig of klinisch niet relevant; -: effect onderzocht in twee of meer gerandomiseerde onderzoeken maar afwezig; ?: geen onderzoekgegevens bekend.

 

Combinatietherapie van langwerkende ß2-sympathicomimetica met inhalatiecorticosteroïden versus monotherapie met langwerkende ß2-sympathicomimetica

Terug naar boven

Werkzaamheid. In een systematisch literatuuroverzicht uit de Cochrane-bibliotheek met in totaal 7.598 patiënten met ernstige COPD werden tien onderzoeken ingesloten, waarvan acht met salmeterol/fluticason en twee met formoterol/budesonide.46 Daarnaast is er het al meerdere malen besproken overzicht met 2.967 patiënten voor de uitkomstmaat exacerbaties en 4.652 patiënten voor de uitkomstmaat sterfte.15 In beide meta-analysen was er geen significant verschil voor wat betreft de invloed op sterfte.15 46 
In drie onderzoeken is de werkzaamheid van combinatietherapie met inhalatiecorticosteroïden en langwerkende ß2-sympathicomimetica vergeleken met monotherapie met langwerkende ß2-sympathicomimetica.43-45 De resultaten toonden voor wat betreft symptomen geen verschil tussen salmeterol/fluticason en salmeterol en eveneens geen verschil tussen formoterol/budesonide en formoterol.43-45 De resultaten van een meta-analyse toonden voor wat betreft de FEV1 een statistisch significant verschil ten gunste van salmeterol/fluticason in vergelijking met salmeterol (50 ml [6-60]), maar dit verschil was niet klinisch relevant.42 Voor formoterol/budesonide werd in vergelijking met formoterol geen statistisch significant verschil op de FEV1 gevonden.42 Uit een analyse van vijf onderzoeken met 5.696 patiënten van salmeterol/fluticason en formoterol/budesonide versus monotherapie met langwerkende ß2-sympathicomimetica bleek een significant verschil in het aantal exacerbaties ten gunste van de combinatietherapie (RR 0,82 [0,78-0,88]), dat als klinisch relevant kan worden beoordeeld.46 In een andere analyse met in totaal 2.967 patiënten werd geen significant verschil gezien in het aantal personen met tenminste één exacerbatie.15 
Wat betreft de kwaliteit van leven was er een statistisch significant maar klinisch niet relevant verschil ten gunste van salmeterol/fluticason in vergelijking met salmeterol.46 In de onderzoeken met formoterol/budesonide versus formoterol werd de kwaliteit van leven niet compleet gerapporteerd en bovendien waren de resultaten niet eenduidig. Er waren geen gegevens beschikbaar om de invloed op het inspanningsvermogen te analyseren.46 
Bijwerkingen. In de samengevatte gegevens van 7.173 patiënten werd een significante toename van pneumonieën gezien bij combinatiebehandeling vergeleken met monotherapie met een langwerkend ß2-sympathicomimeticum (OR 1,58 [1,32-1,88]). Aangezien de analyse wees op heterogeniteit werd een nieuwe analyse verricht die geen statistisch significante toename toonde. Dit betekent dat bij een achtergrondrisico van 20% de NNT(H) over drie jaar 17 bedraagt, terwijl bij een achtergrondrisico van 2% de NNT(H) over een jaar 75 is.41 Pneumonie werd vaker gerapporteerd bij behandeling met salmeterol/fluticason dan bij salmeterol (OR 1,59 [1,33-1,91]), terwijl er geen significant verschil was tussen behandeling met formoterol/budesonide en formoterol.46 Vanwege de overlappende betrouwbaarheidsintervallen van de onderzoeken met salmeterol/fluticason en formoterol/budesonide moet echter worden geconcludeerd dat er geen verschil is in de kans op pneumonie tussen beide combinatiepreparaten. Overigens werden in het ene onderzoek41 geen significante verschillen gevonden ten aanzien van het effect op overlijden tussen salmeterol, fluticason, salmeterol/fluticason en placebo. 

 
Plaatsbepaling

Van de verschillende inhalatiegeneesmiddelen is bij COPD is werkzaamheid aangetoond op een aantal effectmaten. Voor kortwerkende ß2-sympathicomimetica is enige werkzaamheid aangetoond op symptomen en exacerbaties, terwijl de toename van de FEV1 klinisch niet relevant is. Er is geen effect op het verbeteren van het inspanningsvermogen, kwaliteit van leven en verminderen van sterfte. Voor het kortwerkende anticholinergicum ipratropium is werkzaamheid aangetoond op de FEV1 die mogelijk klinisch relevant is. Er is geen effect aangetoond op de symptomen, het inspanningsvermogen, het verminderen van het aantal exacerbaties en evenmin was er een effect op sterfte. Voor de langwerkende ß2-sympathicomimetica is werkzaamheid aangetoond op exacerbaties en de FEV1 maar dit laatste is klinisch niet relevant. Er zijn geen effecten op de symptomen, de kwaliteit van leven of het verminderen van sterfte. Voor het langwerkende anticholinergicum tiotropium is werkzaamheid aangetoond voor symptomen, exacerbaties en inspanningsvermogen, terwijl de toename van de FEV1 niet klinisch relevant is. Er is geen effect op de kwaliteit van leven en sterfte.
Van inhalatiecorticosteroïden is alleen werkzaamheid aangetoond op het verminderen van de exacerbatiefrequentie. Langwerkende luchtwegverwijders en inhalatiecorticosteroïden zijn in gelijke mate werkzaam bij de vermindering van het aantal exacerbaties bij patiënten met een FEV1 <60% van de voorspelde waarde. Het verschil in werkzaamheid van combinatiebehandeling met langwerkende ß2-sympathicomimetica en inhalatiecorticosteroïden vergeleken met de afzonderlijke bestanddelen betreffende de vermindering van exacerbaties is significant. Dit verschil is afhankelijk van de gebruikte uitkomstmaat: het aantal exacerbaties versus het aantal personen met ten minste één exacerbatie. Van geen van de genoemde middelen is aangetoond dat het de versnelde longfunctieachteruitgang tegengaat. De werkzaamheid van inhalatiecorticosteroïden betreffende mortaliteit is klinisch weinig relevant. Combinatiebehandeling vergeleken met langwerkende ß2-sympathicomimetica als monotherapie gaf geen vermindering van sterfte. Bij combinatiebehandeling vergeleken met monotherapie met inhalatiecorticosteroïden was er een marginaal statistisch verschil in sterfte van 1 tot 2%.
Tot voor kort werd aangenomen dat het bijwerkingenprofiel van anticholinergica iets gunstiger is dan dat van de ß2-sympathicomimetica vooral bij patiënten met een hartziekte. Nieuwe gegevens met tegenstrijdige resultaten hebben aanleiding gegeven tot een controverse in de literatuur omtrent het effect van ß2-sympathicomimetica en anticholinergica op mortaliteit. Een probleem daarbij is dat geen van de onderzoeken primair is opgezet om het effect op de mortaliteit te onderzoeken. De FDA verricht momenteel nader onderzoek naar de effecten van anticholinergica op mortaliteit.
De bijwerkingen van inhalatiecorticosteroïden zijn vooral lokaal van aard en kunnen soms hinderlijk zijn. Er lijkt een verhoogde kans op pneumonie te bestaan bij patiënten met ernstige COPD die inhalatiecorticosteroïden gebruiken. Bij behandeling met het combinatiepreparaat salmeterol/fluticason wordt vaker pneumonie gerapporteerd dan bij salmeterol alleen, maar het verschil is niet klinisch relevant. Tussen behandeling met formoterol/budesonide en formoterol was geen significant verschil.
Met de oudere middelen (de kortwerkende luchtwegverwijders) is relatief weinig onderzoek gedaan bij patiënten met COPD gedefinieerd op basis van spirometrie. Onderzoek met de nieuwere middelen, zoals langwerkende luchtwegverwijders, inhalatiecorticosteroïden en combinatietherapie, heeft veelal plaatsgevonden bij patiënten met ernstige COPD (FEV1 <60% van de voorspelde waarde). De resultaten van onderzoeken met langwerkende middelen of combinatiepreparaten kunnen dan ook niet zonder meer gegeneraliseerd worden naar de patiënten met lichte of matig-ernstige COPD.
Voor de praktijk kunnen de volgende adviezen met betrekking tot inhalatietherapie worden gegeven. Voor de bestrijding van klachten kan worden begonnen met een kortwerkend ß2-sympathicomimeticum of een kortwerkend anticholinergicum. Bij onvoldoende resultaat kan het ene worden vervangen door het andere. Zo nodig kunnen beide afzonderlijke middelen worden gecombineerd, maar een combinatiepreparaat wordt niet aangeraden. Bij onvoldoende effect of bij ernstiger vormen van COPD kan een behandeling met een langwerkende bronchusverwijder worden begonnen, zoals een langwerkend ß2-sympathicomimeticum of tiotropium. Zo nodig worden beide middelen gecombineerd. De toevoeging van een onderhoudsbehandeling met een inhalatiecorticosteroïde dient alleen te worden overwogen bij patiënten met frequente exacerbaties.

Terug naar boven


Trefwoorden: COPD, kortwerkende ß2-sympathicomimetica, kortwerkende anticholinergica, langwerkende ß2-sympathicomimetica, langwerkende anticholinergica, inhalatiecorticosteroïden, combinatiepreparaten

Tabel 3. Stof- en merknamen, vergoedingsprijzen, doseringen en verwachte gemiddelde kosten van de behandeling per patiënt.

Stofnaam merknaam® gemiddelde dagdosering kosten (€) per maand
beclomethason beclometason dosisaërosol 250 µg/200 dos
Aerochamber Qvar 50 µg/200 dos masker
750 µg
800 µg
10,44
93,86
budesonide merkloos 200 µg/200 dos
Pulmicort 50 µg/200 dos
800 µg
800 µg
14,06
22,56
budesonide/
formoterol
Symbicort 200/6 µg 60 dos
Symbicort 400/12 µg 60 dos
400 µg/12 µg 25,40
25,35
ciclesonide Alvesco 80 µg 160 µg 20,53
fluticason Flixotide 250 µg 1000 µg 65,19
salmeterol/
fluticason
Seretide Inhalatiepoeder 50/500 100 µg salmeterol 62,63
formoterol merkloos
Foradil
24 µg
24 µg
24,18
27,70
ipratropium merkloos
Atrovent
120 µg
120 µg
25,64
5,10
salbutamol merkloos
Airomir dosisaerosol
800 µg
800 µg
3,14
20,82
salmeterol Serevent 100 µg 27,70
terbutaline Bricanyl 0,5 mg 3,46
tiotropium Spiriva 18 µg 42,47

 * bij meerdere typen inhalatoren wordt alleen de hoogste en de laagste prijs vermeld.

Overige stof- en merknamen®
atropine      merkloos


 
Literatuurreferenties

1. Celli BR, MacNee W, ATS/ERS Task Force. Standards for the diagnosis and treatment of patients with COPD: a summary of the ATS/ERS position paper. Eur Respir J 2004; 23: 932-946.
2. Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO. Richtlijn Medicamenteuze therapie COPD. Utrecht: Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO, 2006.
3. Smeele IJM, Van Weel C, Van Schayck CP, et al. NHG-Standaard COPD. Huisarts Wet 2007; 50; 362-379.
4. Pellegrino R, Viegi G, Brusasco V, Crapo RO, Burgos F, Casaburi R, et al. Interpretative strategies for lung function tests. Eur Respir J 2005; 26: 948-968.
5. Cazzola M, MacNee W, Martinez FJ, Rabe KF, Franciosi LG, Barnes PJ, et al. Outcomes for COPD pharmacological trials: from lung function to biomarkers. Eur Respir J 2008; 31: 416-468.
6. Redelmeier DA, Bayoumi AM, Goldstein RS, Guyatt GH. Interpreting small differences in functional status: the Six Minute Walk test in chronic lung disease patients. Am J Respir Crit Care Med 1997; 155: 1278-1282.
7. Jones PW. Interpreting thresholds for a clinically significant change in health status in asthma and COPD. Eur Resp J 2002; 19: 398-404.
8. Sestini P, Renzoni E, Robinson S, Poole P, Ram FSF. Short-acting b2-agonists for stable chronich obstructive pulmonary disease. The Cochrane Database of Systematic Reviews 2002, Issue 3. Art. No.: CD001495. DOI: 10.1002/14651858.CD1495.
9. Salpeter SR, Ormiston TM, Salpeter EE. Cardiovascular effects of ß-agonists in patients with asthma and COPD. Chest 2004; 125: 2309-2321.
10. Salpeter SR, Buckley NS, Salpeter EE. Meta-analysis: anticholinergics, but not ß-agonists, reduce severe exacerbations and respiratory mortality in COPD. J Gen Intern Med 2006; 21: 1011-1019.
11. Informatorium Medicamentorum.’s-Gravenhage, WINAp/KNMP, 2008.
12. www.uptodate.com.
13. Loenen A van (red.). Farmacotherapeutisch Kompas. Diemen: CVZ, 2008.
14. Liesker JJ, Wijkstra PJ, Ten Hacken NH, Koeter GH, Postma DS, Kerstjens HA. A systematic review of the effects of bronchodilators on exercise capacity in patients with COPD. Chest 2002; 121: 597-608.
15. Wilt TJ, Niewoehner D, MacDonald R, Kane RL. Management of stable chronic obstructive pulmonary disease: a systematic review for a clinical practice guideline. Ann Intern Med 2007; 147: 639-653.
16. Dahl R, Greefhorst LA, Nowak D, Nonikov V, Byrne AM, Thomson MH, et al. Inhaled formoterol dry powder versus ipratropium bromide in chronic obstructive pulmonary disease. Am J Respir Crit Care Med 2001; 164: 778-784.
17. Rennard SI, Anderson W, ZuWallack R, Broughton J, Bailey W, Friedman M, et al. Use of a long-acting inhaled beta2-adrenergic agonist, salmeterol xinafoate, in patients with chronic obstructive pulmonary disease. Am J Respir Crit Care Med 2001; 163: 1087-1092.
18. Mahler DA, Donohue JF, Barbee RA, Goldman MD, Gross NJ, Wisniewski ME, et al. Efficacy of salmeterol xinafoate in the treatment of COPD. Chest 1999; 115: 957-965.
19. Appleton S, Poole P, Smith B, Veale A, Lasserson TJ, Chan MM. Long-acting beta2-agonists for poorly reversible chronic obstructive pulmonary disease. Cochrane Database Syst Rev. 2006 Jul 19; 3: CD001104.
20. Barr RG, Bourbeau J, Camargo CA, Ram FSF. Tiotropium for stable chronic obstructive pulmonary disease: a meta-analysis. Thorax 2006; 61: 854-862.
21. Casaburi R, Kukafka D, Cooper CB, Witek TJ Jr, Kesten S. Improvement in exercise tolerance with the combination of tiotropium and pulmonary rehabilitation in patients with COPD. Chest 2005; 127: 809-817.
22. Maltais F, Hamilton A, Marciniuk D, Hernandez P, Sciurba FC, Richter K, et al. Improvements in symptom-limited exercise performance over 8 h with once-daily tiotropium in patients with COPD. Chest 2005; 128: 1168-1178.
23. O’Donnell DE, Flüge T, Gerken F, Hamilton A, Webb K, Aguilaniu B, et al. Effects of tiotropium on lung hyperinflation, dyspnoea and exercise tolerance in COPD. Eur Respir J 2004; 23: 832-840.
24. Verkindre C, Bart F, Aguilaniu B, Fortin F, Guérin JC, Le Merre C et al, The effect of tiotropium on hyperinflation and exercise capacity in chronic obstructive pulmonary disease Respiration 2006; 73: 420-427.
25. Freeman D, Lee A, price D. Efficacy and safety of tiotropium in COPD patients in primary care – the SPiRiva Usual CarE (SPRUCE) study. Respiratory Research 2007; 8: 45.
26. Aaron SD, Vandemheen KL, Fergusson D, Maltais F, Bourbeau J, Goldstein R, et al. Tiotropium in combination with placebo, salmeterol, or fluticasone-salmeterol for treatment of chronic obstructive pulmonary disease: a randomized trial. Ann Intern Med 2007; 146: 545-555.
27. Noord JA van, Aumann JL, Janssens E, Verhaert J, Smeets JJ, Mueller A, et al. Effects of tiotropium with and without formoterol on airflow obstruction and resting hyperinflation in patients with COPD. Chest 2006; 129: 509-517.
28. Tashkin DP, Celli B, Senn S, Burkhart D, Kesten S, Menjoge S, et al. A 4-year trial of tiotropium in chronic obstructive pulmonary disease. N Engl J Med 2008; 359: 1543-1554.
29. Kesten S, Jara M, Wentworth C, Lanes S. Pooled clinical trial analysis of tiotropium safety. Chest 2006; 130: 1695-1703.
30. Salpeter SR. Bronchodilators in COPD: impact of ß-agonists and anticholinergics on severe exacerbations and mortality. Int J COPD 2007; 2: 11-18.
31. Singh S, Loke YK, Furberg CD. Inhaled anticholinergics and risk of major adverse cardiovascular events in patients with chronic obstructive pulmonary disease. JAMA 2008; 300: 1439-1450.
32. Lee TA, Pickard S, Au DH, Bartle B, Weiss KB. Risk for death associated with medications for recently diagnosed chronic obstructive pulmonary disease. Ann Intern Med 2008; 149: 380-390.
33. http://www.fda.gov/cder/drug/early_comm/tiotropium.htm, geraadpleegd 14 november 2008.
34. Dolovich MB, Ahrens RC, Hess DR, Anderson P, Dhand R, Rau JL, et al. Device selection and outcomes of aerosol therapy: Evidence-based guidelines. American College of Chest Physicians/American College of Asthma, Allergy, and Immunology. Chest 2005; 127: 335-371.
35. Dekhuijzen PNR. Inhalatiemedicatie bij volwassenen met obstructieve longaandoeningen: poeder of aërosol? Ned Tijdschr Geneeskd 1998; 142: 1369-1374.
36. Gartlehner G, Hansen RA, Carson SS, Lohr KN. Efficacy and safety of inhaled corticosteroids in patients with COPD: a systematic review and meta-analysis of health outcomes. Ann Fam Med 2006; 4: 253-262.
37. Highland KB, Strange C, Heffner JE. Long-Term Effects of Inhaled Corticosteroids on FEV1 in Patients with Chronic Obstructive Pulmonary Disease: A Meta-Analysis. Ann Intern Med 2003; 138: 969-973.
38. Sin DD, Wu l, Anderson J, Anthonisen N, Buist A, Sherwood P, et al. Inhaled corticosteroids and mortality in chronic obstructive pulmonary disease. Thorax 2005; 60: 992-997. 
39. Alsaeedi A, Sin DD, McAlister FA. The effects of inhaled corticosteroids in chronic obstructive pulmonary disease: A systematic review of randomized placebo-controlled trials. Am J Med 2002; 113: 59-65. 
40. Nannini L, Cates CJ, Lasserson TJ, Poole P. Combined corticosteroid and long-acting beta-agonist in one inhaler versus placebo for chronic obstructive pulmonary disease. Cochrane Database of Systematic Reviews 2007, Issue 4. Art. No.: CD003794. DOI: 10.1002/14651858.CD003794.pub3. 
41. Calverley PM, Anderson JA, Celli B, Ferguson GT, Jenkins C, Jones PW, et al. Salmeterol and fluticasone propionate and survival in chronic obstructive pulmonary disease. N Engl J Med 2007; 356: 775-789.
42. Nannini LJ, Cates CJ, Lasserson TJ, Poole P. Combined corticosteroid and long-acting beta-agonist in one inhaler versus inhaled steroids for chronic obstructive pulmonary disease. Cochrane Database of Systematic Reviews 2007b, Issue 4. Art. No.: CD006826. DOI: 10.1002/14651858.CD006826. 
43. Mahler DA, Wire D, Horstman CN, Chang J, Yates T, Fischer T, et al. Effectiveness of fluticasone propionate and salmeterol combination delivered via the diskus device in the treatment of Chronic Obstructive Pulmonary Disease. Am J Respir Crit Care Med 2002; 166: 1084-1091.
44. Hanania NA, Darken P, Horstman D, Reisner C, Lee B, Davis S et al. The efficacy and safety of fluticasone proprionate (250 µg)/salmeterol (50 µg) combined in the Diskus inhaler for the treatment of COPD. Chest 2003; 124: 834-843.
45. Calverley PM, Pauwels R, Vestbo J, Jones P, Pride N, Gulsvik A, et al. Combined salmeterol and fluticasone in the treatment of chronic obstructive pulmonary disease: a randomised controlled trial. Lancet 2003; 361: 449-456. 
46. Nannini LJ, Cates CJ, Lasserson TJ, Poole P. Combined corticosteroid and long-acting beta-agonist in one inhaler versus long-acting beta-agonists for chronic obstructive pulmonary disease. Cochrane Database of Systematic Reviews 2007, Issue 4. Art. No.: CD006829. DOI: 10.1002/14651858.CD006829. 
47. Yang IA, Fong KM, Sim EHA, Black PN, Lasserson TJ. Inhaled corticosteroids for stable chronic obstructive pulmonary disease. Cochrane Database of Systematic Reviews 2007, Issue 2. Art. No.: CD002991. DOI: 10.1002/14651858.CD002991.pub2.        

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd